Woordenboek woorden van op de beurs.
Woordenboek met vakjargon van op de beurs. Ook wel beursjargon genoemd.

Financiële encyclopedie:

De beurs kent een uitgebreid vakjargon. Dit is een bepaalde taal en begrippen die op de beurs gebruikt worden. U kan in dit beurs woordenboek het beursjargon vinden die onder effectenhandelaren gebruikt wordt. En de betekenis van de begrippen. Ook andere financiële begrippen die relevant zijn bij beleggen worden hier vermeld.

A

  • Aandeel: Bewijsstuk dat de houder deelneemt in het maatschappelijke kapitaal van de onderneming.

  • Aandeel op naam: Een aandeel dat op naam staat van de houder en daardoor niet zonder meer overdraagbaar is.

  • Aandeelhouder: iemand die aandelen in een bepaald bedrijf bezit is een aandeelhouder.

  • Aandeelhoudersvergadering: Algemene vergadering van de aandeelhouders, stemrecht in aandeelhoudersvergadering volgens grote van belang in een onderneming. Kan geen instructies geven aan de raad van bestuur.

  • Aandelenfusie: Het overdragen van aandelen tussen vennootschappen. Een bedrijf kan aandelen kopen in een ander bedrijf zodat de gekochte onderneming een dochterbedrijf wordt. Men spreekt dan van een aandelenfusie.

  • Aandelenoptie: Geven het recht aandelen op een bepaald tijdstip tegen een bepaalde prijs te kopen of verkopen.

  • Aandelenregister: Een register dat door het bestuur bijgehouden wordt met alle aandelen die op naam vermeld zijn.

  • Aandelensplitsing: Er worden meer aandelen uitgegeven waardoor de waarde van een aandeel zal dalen.

  • Aanwijzing: Een aanwijzing bij opties wil zeggen dat de belegger moet voldoen aan de verplichtingen van het contract. Afhankelijk of het een call of putoptie is kan dit betekenen: de onderliggende waarde leveren bij een calloptie of tegen uitoefenprijs afnemen bij een putoptie.

  • Achtergesteld: Later voor een uitbetaling in aanmerking komen dan de vorderingen van andere schuldeisers. De uitbetaling van schuldeisers heeft altijd voorrang op de uitbetaling van aandeelhouders bij een faillissement.

  • Achtergestelde lening: Dit type lening wordt bij een faillissement van de onderneming als een van de laatste in rij terugbetaald. Eerst komen "gewone" schuldeisers in aanmerking voor een terugbetaling.

  • Activa: Alle bezittingen in een onderneming in geld uitgedrukt. Dit staat op de balans van een onderneming.

  • Advieskoers: Voor de opening van de beurs gebruikt men een advieskoers als indicatie van de verwachte openingskoers.

  • AEX Amsterdam Exchange index. Een beursindex van de 25 "belangrijkste" Nederlandse bedrijven. Dit omdat het Nederlandse bedrijven zijn met de grootste beursomzet en nog enkele andere factoren waar er aan voldaan moet worden om in deze index te noteren.

  • Afdekken van risico ook wel "hedging" genoemd. Door middel van optie's kan een belegger risico's vermijden en zichzelf indekken. Voor deze zekerheid wordt een premie betaald aan de tegenpartij.

  • Affaire: Een effectentransactie. Kan zowel een aankoop als verkoop zijn.

  • Afschrijven: Boekhoudkundig de aanschafwaarde van een activa over de waarschijnlijke levensduur ervan verdelen. Dit wordt gedaan om met slijtage rekening te houden in de boekhouding.

  • AIBOR: Betekend Amsterdam Interbank Offered Rates. Tegen dit tarief bieden Nederlandse banken deposito's aan andere binnenlandse banken.

  • AIM: Betekend Amsterdams Interprofessioneel Marktsysteem. Via dit systeem kunnen institutionele beleggers effectentransacties met banken of commissionairs afsluiten. Deze banken of commissionairs verdienen hieraan door een marge op de bied en laatkoers, van de door hun verhandelde effecten.

  • Algemene vergadering van de aandeelhouders: Een jaarlijks verplichte vergadering voor de aandeelhouders, de economische eigenaren van de onderneming.

  • All time high: Een nooit overtroffen hoge koersnotering.

  • All time low: Een nooit overtroffen lage koersnotering.

  • Alternatieve beleggingen: Niet traditionele beleggingen. Voorbeelden zijn beleggen in wijn, kunst, wisky, …

  • AMEX: American stock exchange. Een Amerikaanse effectenbeurs.

  • Analist: Een persoon die analyses doet van de beurs, individuele aandelen, trends, noem maar op.

  • Angel: Een obligatie met hoge waardering. Ook wel Investment-grade bonds genoemd.

  • Annuïteit: Soort van aflossingsmethode voor een lening waarbij het af te betalen bedrag steeds groter wordt en de rente minder.

  • Arbitrage: Dit wil zeggen het voordeel halen uit een prijsverschil tussen 2 of meerdere verschillende markten.

  • ARPS Auction Rate Preferred Stocks. Iedere maand wordt het dividend bepaald door een "Dutch auction".

  • Ask (price) : de vraag- of laatprijs. Aan deze prijs wordt een effect verkocht op de beurs.

  • Asset allocation: Het spreiden van risico door het belegde vermogen te verdelen in verschillende beleggingscategoriën. Op basis van het risicoprofiel wordt er een juiste verdeling gemaakt tussen de verschillende beleggingsvormen.

  • AVA: Afkorting voor Algemene vergadering van aandeelhouders.

  • Avondhandel: Niet officiële handel na sluitingstijd van de beurs.

B

  • Baby bond: Een obligatie met een waarde minder dan $1000

  • Bearisch: Pessimistisch.

  • Bearmarkt: Dalende beurskoersen.

  • Beeldschermenhandel: De handel in effecten op digitale manier.

  • Bedrijfsmodel: Een model om de verschillende bedrijfsaspecten van een onderneming in kaart te brengen. Lees hier wat het ideale bedrijfsmodel is.

  • Begrotingstekort: Wanneer een overheid meer geld uitgeeft dan dat er geld inkomt.

  • Bel20: Index van de 20 meest toonaangevende Belgische bedrijven opgericht in 1991. Lees hier meer over de bel20. Er wordt gekeken naar dingen als liquiditeit en marktkapitalisatie.

  • Beleggen: Geld "wegzetten" tegen een rente of dividend. Men hoopt een hogere rente te krijgen dan door gewoon te sparen.

  • Beleggingsanalist: Een deskundig persoon die op professioneel vlak beleggingen analyseert. Dit kan zijn trends analyseren, fundamentele analyse, economische aspecten, …

  • Beleggingsfonds: Het beheer van eigen vermogen of vermogen van derden door middel van een fonds.

  • Beleggingsprofiel: Welke beleggingen geschikt zijn voor een belegger aan de hand van zijn persoonlijk risicoprofiel, beleggingshorizon, wensen en verwachtingen.

  • Beleggingsstrategie: Bepaalde strategie dat iemand volgt bij het beleggen. Een vaste structuur en manier van beleggen.

  • Belening:Een lening met effecten in onderpand. De effecten staan dan borg voor het eventueel niet nakomen van een lening.

  • Beren: Personen die een daling van de koers voorspellen.

  • Berenmarkt: Een periode van dalende koersen.

  • Beurs: Een effectenbeurs is een organisatie die het mogelijk maakt om in effecten te handelen. Voorbeeld de NYSE

  • Beursbestuur: Een vereniging voor de handel van effecten in Amsterdam.

  • Beursindex: Geven het koersgemiddelde weer van die aandelen die in de index opgenomen zijn.

  • Beursnotering: Wanneer er aandelen van een bedrijf op de effectenbeurs verhandeld worden.

  • Beurssentimenten: De emotionele stemming op de beurs.

  • Beurswaarde: De totale waarde van alle aandelen van een bedrijf volgens de beurskoers op dat moment.

  • Bewaarloon: De kosten om effecten bij een bank in rekening te brengen.

  • Bied prijs: bid (price). De prijs waarop een handelaar een effect wil kopen.

  • Big board: Een bijnaam voor de NYSE.

  • Bill rate: De interestratio voor een overheidsobligatie.

  • Black Tuesday: De grote beurscrash van wall street in 1929.

  • Bloot eigendom: Het bezit van de mantel van een obligatie. Wat er overblijft is de hoofdsom min de rente.

  • Bluechips: Aandelen van grote gerespecteerde bedrijven.

  • BNP Bruto Nationaal Product: De waarde van alle goederen en diensten die in een bepaald land in een jaar worden geproduceerd.

  • Bubbel: Een speculatieve bubbel in effecten. Bij een bubbel heerst eerst een grote euforie gevolgd door pessimisme.

  • Broker: Een tussenpersoon bij de handel in effecten.

  • Bullmarkt: Stijgende beurskoersen.

  • Bundesbank: De centrale bank van Duitsland.

  • Buy and hold: Beleggen op lange termijn waarbij aandelen zeer lang in portefeuille gehouden worden.

  • BTW Belasting toegevoegde waarde. Door de eindconsument betaalde belasting. Bedraagd in belgië afhankelijk van het soort dienst of product: 0, 6, 12 of 21 %

C

 

  • CAC40: Index met de 40 meest toonaangevende Franse bedrijven.

  • Call: Het recht om een effect te kopen op een vooraf bepaalde termijn of datum tegen een vooraf bepaalde prijs.

  • Cashdividend: De uitkering van de dividenden aan de aandeelhouders in de vorm van contant geld.

  • CD; Certificate of deposit. Een verhandelbare kasgeldlening of termijndeposito in de vorm van een schuldbewijs door de bank uitgegeven.

  • CEC Commodity Exchange Center: Amerikaanse beurs waar grondstoffen verhandeld worden. Denk aan olie, koffie, tarwe, goud, …

  • Centrale bank: Voert het monetaire beleid uit van een bepaald land. Ook wel de staatsbank genoemd.

  • Certificaat: Een schriftelijke verklaring als bewijsstuk.

  • Charts: Koersgrafieken.

  • Chartlist: Map of lijst met verschillende koersgrafieken die de belegger in kwestie wil volgen.

  • Chartreading: Het proberen analyseren en begrijpen van een koersgrafiek. Technische analyse is eigenlijk chartreading.

  • Claim: Het voorkeursrecht om als bestaand aandeelhouder in een bepaalde onderneming nieuwe aandelen te mogen kopen.

  • Clean price obligatie: De clean price van een obligatie wil zeggen de marktwaarde – verlopen interest.

  • Closed-end fund: Een closed-end fund is een publiek verhandeld investeringsbedrijf dat een bepaalde hoeveelheid kapitaal vastlegt door een IPO. Het fonds wordt weergegeven en verhandeld als een aandeel op de effectenbeurs.

  • Combinatieorder: Een gelijktijdige combinatie van calls of puts met dezelfde looptijd maar verschillende uitoefenprijzen. Vaak stelt men een limietprijs in.

  • Commerciële bank: Een gewone bank , anders dan een investeringsbank of spaarbank.

  • Commissionair: Een tussenpersoon die overeenkomsten sluit voor rekening van een opdrachtgever.

  • Committent: De opdrachtgever van de commissie.

  • Commodity: Een in bulk of massa geproduceerde, ongespecialiseerde dienst of product. Met de volgende kenmerken: 1 De prijs komt tot stand door vraag en aanbod op de markt. 2 In grote hoeveelheden geproduceerd. 3 Identiek aan het product van de concurrentie. 4 Geen verschillende kwaliteit onder de goederen.

  • Commodity sector: Een sector waarin het voor bedrijven moeilijk is om zich van de concurrentie te onderschijden. De geleverde dienst of product lijkt sterkt op dat van de concurrentie.

  • Competitief voordeel: Een voordeel die een onderneming heeft op de competitie. Voordeel die helpt om de competitieve positie te verbeteren..

  • Conditioneel order: Een effectenorder die enkel uitgevoerd wordt als er aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt.

  • Conglomeraat: Een groot bedrijf bestaande uit verschillende divisies die geen verband met elkaar hebben. Dit kan verschillende redenen hebben zoals risico spreiding door te diversificeren.

  • Conjuctuur: Een fluctuatie van economische groei op korte termijn. De productie in verhouding tot de productiecapaciteit.

  • Consolidatie: Het samenvoegen van de resultaten van een moeder- en dochterbedrijf. De balans en resultatenrekening worden samengevoegd alsof het 1 onderneming is. Dit is enkel boekhoudkundig.

  • Contant dividend: Een dividend uitbetaald in de vorm van cash geld.

  • Contrair beleggen: Beleggen tegen de massa in. Het tegenovergestelde doen van wat de meeste beleggers op dat moment doen. Zeer moeilijke maar lucratieve vorm van beleggen.

  • Contraire beweging: Bewegingen die contrair/tegenovergesteld aan elkaar zijn. Doordat als de prijs stijgt de vraag afneemt en het aanbod toeneemt. Dit is het kenmerk van het koersverloop van aandelen.

  • Conversie: De omwisseling van een bepaalde soort effecten naar een andere soort effect. Onder bepaalde voorwaarden. Voorbeeld sommige obligaties kunnen in aandelen omgezet worden.

  • Converteerbaar effect: Het effect kan naar een andere soort effect omgezet worden.

  • Coupon: Het rentebewijs van een obligatie.

  • Couponblad: Het deel van een obligatie met de coupons op. Het blad is verdeeld in verschillende coupons waarmee rente kan worden verkregen.

  • Couponrendement: Het quotiënt van de couponrente en beurskoers * 100%. De rente van een obligatie.

  • Coupures: De grootte waarin obligaties, aandelen of bankbiljetten worden uitgegeven.

  • Courtage: De commissie die een tussenpersoon ontvangt. Betekend ook provisie.

  • CPI consumer price index: Een index van de gemiddelde prijzen door Amerikaanse consumenten betaald voor diensten en goederen.

  • Crash (beurs): Een ineenstorting van de beurskoersen.

  • Creatief boekhouden: Frauduleus boekhouden om het er beter te laten uitzien dan het in werkelijkheid is.

  • Credit rating agency: Krediet rating bureaus die een kredietwaardigheid bepalen van andere ondernemingen en overheden.

  • Crude oil: Olie in ruwe vorm.

  • Current ratio: De financiële ratio die berekend of een onderneming genoeg middelen heeft om de schulden over een periode van 12 maanden te betalen.

D

  • Dagorder: Een effectenorder die enkel op een bepaalde dag uitgevoerd mag worden.

  • Dax: Duitse aandelenindex met de 30 meest toonaangevende Duitse bedrijven.

  • De Federal Reserve: De Amerikaanse centrale bank.

  • Dead cat bounce: Een aandeel die na een sterke daling een klein beetje terug omhoog gaat.

  • Dealing room: Plaats op een financiële markt waar de handel van effecten telefonisch gebeurd.

  • Degradatie: Er wordt een lagere rating gegeven dan voordien door een krediet rating bureau.

  • Deflatie: Het meer waard worden van een bepaalde munt. De koopkracht stijgt.

  • Deposito: Geld in bewaring geven van een bank. Spaardeposito= Geld in bewaring geven voor bepaalde periode en rente.

  • Depressie: Bij een depressie is er net zoals bij een recessie een economisch lagere activiteit. Maar er heerst ook een negatief beurssentiment.

  • Diffusie-indicator: Statisch instrument om economische factoren te meten welke zich ontwikkelen als een tegenwind voor een economische groeicyclus.

  • Dirty price obligatie: De dirty price van een obligatie wil zeggen de marktwaarde + verlopen interesten.

  • Disagio: De grootte van bedrag dat een koers lager is dan de nominale waarde.

  • Discontopercentage: De rente waarmee banken geld kunnen lenen aan de centrale bank.

  • Dividend: De betaling van een deel van de winst aan de aandeelhouders.

  • Dividendaandelen: Een aandeel hoofdzakelijk gekocht voor het dividend. Wordt meestal gekocht door beleggers die focussen op inkomsten. Zowel dividendgroeiers als bedrijven die hoog dividend betalen als een combinatie zijn in trek bij dividendbeleggers.

  • Dividendbelasting: De belasting op het uitgekeerde dividend. In België is dit 25% en in Nederland 15%.

  • Dividendrendement: De verhouding in procenten van het uitbetaalde bedrag en de waarde van een aandeel.

  • Dividendvrijstelling: Een vrijstelling in de inkomstenbelasting op de ontvangen dividenden tot een bepaald bedrag.

  • Doodpuntomzet = ander woord voor break even point. Op het doodpuntomzet moment zijn alle vaste kosten gedekt. Er is met andere woorden geen geld verdient maar ook geen geld verloren.

  • Doorlopend order: Een opdracht voor een effectenorder geldig tot annulatie.

  • Dow Jones: Amerikaanse index bestaande uit 30 industriële fondsen. De Dow Jones wordt gezien als een graadmeter van de Amerikaanse beurs.

  • Dual currency obligatie: Een obligatie waarbij het gestorte bedrag en het rentebedrag in een bepaalde munteenheid zijn. En de aflossing in een andere valuta.

  • Durfkapitaal: Kapitaal in risicovolle beleggingen waarbij er dus een groot risico is het kapitaal of een deel te verliezen.

  • Dynamic hedging: Futures worden slechts verkocht als de aandelenkoers terug aan het dalen is. Vaak verschillende keren per dag kan dit met computer gedaan worden.

E

  • ECB: Europese centrale bank.

  • ECD Economische Controle Dienst: Controle dienst die controle uitoefent over financieel economische fraude.

  • Economische groeicyclus: Een economie kan zich in een cyclus van groei bevinden. Deze cyclus is afhankelijk van bepaalde externe factoren.

  • Effecten: Naam voor verschillende soorten waardepapieren. Aandelen, obligaties, fondsen, …

  • Effectenhandelaar: Het (al dan niet beroepsmatig) kopen en verkopen van effecten.

  • Effectief rendement: Het verwachte totale rendement van een obligatie als deze tot het eind van de looptijd wordt gehouden.

  • Eigen inbreng: Het startkapitaal van een onderneming die de ondernemer zelf moet inbrengen. Kan zowel in natura als kapitaal zijn.

  • Eigen vermogen: Wordt verkregen door de passiva van de activa te verminderen. De schulden min het vermogen is het eigen vermogen. Ook wel net worth genoemd. Bereken hier uw eigen vermogen.

  • Emissie: Een beursintroductie van een bedrijf op de effectenbeurs.

  • Emissiebank: Deze bank koopt uitgegeven aandelen of obligaties van ondernemingen om ze vervolgens zelf aan te bieden.

  • Emissieprospectus: Informatie over een bepaalde instelling of onderneming die effecten uitgeeft. Met informatie over het bedrijf en de emissie.

  • Emittent: De uitgever van aandelen, obligaties of deelbewijzen.

  • Emitteren: Het uitgeven van aandelen, obligaties of deelbewijzen.

  • EMU: Economische En Monetaire Unie

  • Eurex: Een van de grootste derivatenbeurzen ter wereld.

  • Euro-dollar optie: Een optiecontract met als onderliggende waarde USD 10.000,-.

  • Euro-obligatie: Schuldbewijzen die op internationale schaal worden uitgegeven waarvan de valuta in euro is.

  • Eurofed: De Europese centrale bank.

  • Europese commissie: Het uitvoerende orgaan van de EU. http://ec.europa.eu/about/index_nl.htm

  • EX: Een aandeel waarvan het dividend, warrant, claim, bonus al van af is.

  • Exercise: De uitoefening van een recht die aan een optie verbonden is.

F

  • Fallen angel: Een gedegradeerde obligatie die voordien wel een goede rating kreeg van een kredietbeoordelingsagentschap.

  • FED Federal Reserve: Het Amerikaanse stelsel van centrale banken.

  • Fixing: Een koers die tegen de middag 14 uur tegenover de continue markt wordt vastgelegd.

  • Floor broker: Een tussenpersoon die op de beurs trades doet in opdracht van cliënten op commissie basis.

  • Footsie: Andere naam voor de FTSE100-index.

  • Fonds: Een financiële stichting waar vermogen wordt verzameld en beheerd. Dit kan zijn een aandelenfonds,obligatiefonds, pensioenfonds, …

  • Fondsmanager: De fondsmanager staat aan het hoofd van een beleggingsfonds. Hij beheert het vermogen van het fonds en neemt alle beslissingen.

  • FTSE100-index: Engelse index met de 100 "belangrijkste" fondsen van op de Londense beurs. Ook wel "Footsie" genoemd.

  • FTSE500-index: Engelse index met de 500 "belangrijkste" fondsen van op de Londense beurs.

  • Fundamenteel analist: Bestudeerd een onderneming door middel van fundamentele analyse.

  • Fundamentele analyse: Het bestuderen van verschillende economische aspecten van een bedrijf.

  • Future: Het contract om een effect te kopen op een vooraf bepaalde datum tegen de prijs die vandaag overeengekomen is.

G

  • G7: Groep van de 7 landen met grootste industrie ter wereld.

  • G24: Groep van 24 ontwikkelingslanden.

  • Gelimiteerd order: Een effectenorder met een maximum koopprijs en minimum verkoopprijs. De prijs wordt door de uitvoerder bepaald en het order zal enkel worden uitgevoerd aan minstens de vastgestelde prijs.

  • Gestort kapitaal: Bedrag dat door de aandeelhouders moet worden gestort voor aanvang van zelfstandige activiteiten. Dit is het kapitaal dat de vennoten werkelijk in de vennootschap hebben gestort.

  • Goodwill: De prijs die betaald wordt bij overname van immateriële zaken als klantenbestand, kennis, de naam van een bedrijf, …

  • Goverment bond: Een staatsobligatie.

H

  • Handel met voorkennis: Gebruik maken van vertrouwelijke informatie bij de handel (in effecten). Het gebruik van vertrouwelijke informatie uit zelfbelang is strafbaar.

  • Hedge: Een financiële positie die bedoelt is om risico te beperken door termijntransacties.

  • Hefboomeffect: Door een hefboom te gebruiken verkrijgt men een hefboomeffect. Dit is het verschijnsel als koersen stijgen of dalen een veel grotere stijgen of daling zal worden verkregen door de hefboom die gebruikt wordt.

  • Holding company: Een onderneming die andere bedrijven in portefeuille heeft omdat het 50% of meer van de aandelen bezit.

I

  • IMF Internationaal Monetair Fonds: Een organisatie van 188 landen opgericht voor een snellere globale monetaire samenwerking. Het hoofdkantoor is in Washington DC.

  • Incourante effecten: Effecten die niet op de beurs noteren.

  • Index: Het koersgemiddelde van een bepaalde samenstelling fondsen. Meestal vertegenwoordigen indexen een bepaald land, thema of sector.

  • Indexobligatie: Een obligatie geïndexeerd aan de inflatie met als doel de koopkracht te beschermen.

  • Inflatie: Wanneer de waarde van een valuta daalt en u in die munteenheid koopkracht verliest.

  • Institutionele belegger: Ondernemingen die geld beleggen, dit kan eigen vermogen of van derden zijn.

  • Interim dividend: Een tussentijdse uitkering in het aandeel van de winst.

  • Intrinsieke waarde: Het "eigen vermogen" van een onderneming berekend volgens de actuele waarde en niet de waarde op de balans.

  • Investeringen: Economisch begrip investeringen: Uitgaven die noodzakelijk zijn om een onderneming op te starten. Investeringen worden verdeeld onder: vaste en vlottende activa. Het verschil tussen kosten en investeringen is dat investeringen eenmalig zijn en niet periodiek terugkomen. Kosten daarentegen komen wel periodiek terug. Begrip investeren: Geld of tijd opofferen met als doelstelling een positief resultaat te behalen op meestal lange termijn. Het verschil tussen beleggen en investeren is dat beleggen wordt gedaan om geld te verdienen, er moet rendement behaald worden. Bij investeren is het niet noodzakelijk dat er rendement wordt behaald. U kan ook investeren in een goed doel, dat brengt geen geld op maar het is wel een positieve manier om uw geld en tijd te spenderen.

  • Investeringsbank: Bank die bedrijven en overheden helpt bij het uitgeven en verkopen van effecten.

  • IPO Initial Public Offer: De eerste keer een bedrijf op de beurs noteert.

J

K

  • Kapitaalmarkt: Op deze markt worden vermogenstitels verhandeld die langer lopen dan 2 jaar of met onbeperkte looptijd.

  • Kapitaalrendement: Het behaalde rendement op het geïnvesteerde kapitaal.

  • Kapitaalvlucht: Het naar het buitenland laten verdwijnen van kapitaal. Om belasting, confiscatie van spaargeld of lage interesten te ontlopen.

  • Kapitalisme: Een economisch systeem gebaseerd op ondernemen en investeren van kapitaal in de verwachting een rendement op het kapitaal te behalen.

  • Kaskrediet: Een soort van kredietvorm waarbij de kredietgever toelating geeft om voor een bepaald bedrag opnames te doen. Kaskrediet heeft als doel kortstondige tekorten op te vangen.

  • Klantenvorderingen: "Openstaande" bedragen die een onderneming nog van klanten tegoed heeft voor reeds geleverde diensten of producten. De schulden van de klanten bij de onderneming.

  • Koers: De waarde waaraan een effect op de effectenbeurs noteert.

  • Koersreactie: Een prijsdaling na prijsstijging.

  • Koers-dividendverhouding: De verhouding tussen de koers van een aandeel en de hoogte van het dividend.

  • Koersfluctuaties: Het fluctueren van de beurskoersen. Stijgende en dalende koersen. Hoe volatieler een effect hoe sterker de fluctuaties.

  • Koers-winstverhouding: De koers-winstverhouding of kw verhouding wordt vaak als de maatstaf voor de waardering van een bedrijf gezien. Deze koers heeft weer hoeveel keer de winst van een bedrijf wordt betaald op de beurs.

L

  • Laat prijs: De prijs waarop een handelaar een effect wil verkopen.

  • Laten = De laat prijs.

  • Liquide: De mate waarin hoe snel iets kan verkocht worden.

  • Liquide middelen: De snel verkoop- en omruilbare bezittingen. Zoals geld, veel verhandelde effecten met een groot volume, …

  • Liquiditeit: De mate waarin een onderneming op korte termijn aan (schulden) betalingsverplichtingen kan voldoen.

  • Long gaan: Het kopen van effecten om te speculeren op een stijgende koers.

M

  • Majoneren: Bij een ipo op meer aandelen inschrijven dan u wenst te hebben omdat u rekening houd met een bepaald percentage aandelen niet te krijgen.

  • Manipuleren: Het beïnvloeden van de beurs.

  • Mantel (obligatie): Deel van de obligatie die als bewijs dient.

  • Marge: Wat overblijft bij verkoop van een dienst of product na het aftrekken van de kostprijs. Als u iets voor 100 euro verkoopt en u betaald er 70 euro voor heeft u een marge van 30 euro of in dit geval 30 procent.

  • Markt order: Een effectenorder zonder voorafbepaalde prijslimiet, u koopt of verkoopt aan de marktprijs.

  • MBO Management Buy Out: De uitkoop van aandeelhouders door het huidige management met geld die geleend is.

N

  • Nasdaq: Een beurs in New York waar virtueel gehandeld wordt.

  • Niet verhandelbaar aandeel: Aandelen die op naam staan en niet verhandelbaar zijn.

  • Nominale waarde: De waarde vermeld op een waardepapier.

  • Note: Een kortlopende Amerikaanse staatsobligatie.

  • Nulcouponobligatie: Een obligatie zonder coupon rente, ook wel zero coupon obligatie genoemd.

  • NYSE: New York Stock Exchange. Een belangrijke Amerikaanse beurs.

O

  • Octrooi ook wel een patent genoemd. Dit is een recht op een bepaalde uitvinding. Anderen kunnen worden verboden de uitvinding commercieel toe te passen binnen een bepaald gebied en periode. Een patent = competitief voordeel.

  • Obligatie: Een lening die als een effect verhandeld kan worden. Een obligatie bestaat meestal uit een mantel en couponblad maar dit is niet altijd zo.

  • Obligatiehouder: De eigenaar van een obligatie. Heeft recht op de rente en nominaal bedrag van die obligatie.

  • Offshore banken: Een bank gevestigd in een ander land dan van de rekeninghouder.

  • Onderhands: Een actie tussen partijen onderling zonder ambtelijke (notariële) tussenkomst.

  • Onderliggende waarde: Hetgeen een optie op gebaseerd is. De onderliggende waarde is bij een optie een aandeel.

  • Onderpand: Iets dat als borgmiddel gegeven wordt als zekerheid bij een lening.

  • Onethisch beleggen: Het specifiek beleggen in onethische bedrijven zoals voorbeeld de sex-, gok-, drank-, wapenindustrie.

  • Ongedekt schrijven: Een optie schrijven zonder dat daar aandelen tegenover staan.

  • OPEC Organisation of Petroleum Exporting Companys: Een organisatie van olie exporterende landen.

  • Optie: Het recht aandelen binnen een periode of op een tijdstip te kopen. Tegen een vooraf bepaalde prijs.

  • Optiehouder: De eigenaar van een optie.

  • Optiepremie: Het bedrag de schrijver van een optie ontvangt om die optie te verlenen.

  • OTC Over The Counter: Handel onderling tussen 2 partijen.

  • Ounce: 1 ounce=31,1 gram Veel gebruikt om het gewicht van edelmetalen uit te drukken.

  • Overhead: Managementskost die geen productiekost is.

P

  • Pari: Bij een notering aan 100% van een effect, aan de nominale waarde.

  • Participatiemaatschappij: Een organisatie die in het eigen vermogen deelneemt met als doel later die deelname met een winst te verkopen.

  • Passiva: (Het deel op een balans) dat zegt hoe de activa gefinancieerd is.

  • Payout-percentage: Deel van de nettowinst bedoelt als dividenduitkering.

  • Penny stocks: Aandelen die zeer goedkoop zijn, slechts enkele centen kosten.

  • Perpetuele lening: Een eeuwigdurende obligatie.

  • Plastic bonds: Obligaties van creditcard maatschappijen.

  • Positie afbouwen: Een bepaalde positie in de portefeuille wordt geleidelijk aan verkocht.

  • Positie uitbouwen: Van een bepaalde positie in de portefeuille wordt er geleidelijk aan bijgekocht.

  • Prime rate: De rente die Amerikaanse banken geven aan hun beste klanten.

  • Program trading: De handel in effecten met computerprogramma's.

  • Provisie: Ander woord voor commissie. Een vergoeding voor transacties aan een financieel tussenpersoon.

  • Put-optie: Het recht om effecten te verkopen op een bepaalde datum of gedurende een termijn.

  • Prospectus: Een publicatie vanuit een onderneming voor investeerders. Een prospectus is wettelijk verplicht en moet aan bepaalde voorwaarden voldoen. Door deze feiten moet een belegger een juiste beslissing kunnen nemen. De correctheid van informatie in de prospectus is heel belangrijk.

Q

R

  • Rally: Sterke stijging van de beurskoers(en)

  • Rating: Een rating door een krediet beoordeling bureau hoe kredietwaardig een instelling of bedrijf is.

  • Realtime beurskoersen: De beurskoersen live bekijken, meestal hebben die een vertraging.

  • Regel van 100: Per jaar dat u ouder wordt moet u 1% minder risicovol beleggen. Er is een verband volgens deze regel tussen het risico die genomen mag worden en de beleggingshorizon.

  • Recessie: Een teruglopende groei van economische activiteiten.

  • Reële rente: De nominale rente – inflatie. De werkelijke rente als men met inflatie rekening houd.

  • Rendement: De opbrengst in verhouding tot de kosten.

  • Rentedragende stukken: Waardepapieren waar rente op ontvangen wordt.

  • Rentevrijstelling: Over een bepaald bedrag aan ontvangen rente moet geen belasting betaald worden.

  • Reverse split: Een onderneming verminderd het aantal uitstaande aandelen.

  • Risico kapitaal: Geïnvesteerd kapitaal in risicovolle beleggingen.

  • Ruilorder: Een order waarbij een fonds verkocht wordt en tegelijkertijd een ander fonds aangekocht wordt.

S

  • S&P 500 indexEen beursindex uitgegeven door standard and poor. Deze beursindex zou het meest correcte beeld van de Amerikaanse economie weergeven. De 500 meest belangrijke Amerikaanse bedrijven zijn in de index opgenomen.

  • Scrip issue: Een extra uitgifte van aandelen. Meestal in de vorm van dividenden.

  • Short gaan: Het verkopen van effecten die men niet in zijn bezit heeft maar leent. Dit om te speculeren op een dalende koers. Dit gaat dan over aandelen of obligaties. Bij opties en futures is short gaan anders

  • Short seller: Persoon,instelling of bedrijf die effecten verkoopt die niet in bezit zijn.

  • Short squeeze: Wanneer een sterk geshort effect snel in koers stijgt waardoor shortsellers uit hun posities gedwongen worden.

  • Solvabiliteit: De mate waarin een onderneming bij geval van liquidatie aan haar financiële verplichtingen kan voldoen.

  • Sour crude: Olie met een hoog zwavel niveau.

  • Speculatief: Onzeker, risicovol.

  • Speculeren: Het nemen van veel risico door onzekere producten. Zoals: risicovolle beleggingsproducten kopen, traden op korte termijn of met hefboom, obligaties met slechte rating kopen, …

  • Spot markt: Markt waar overschotten verkocht worden om tekorten te dekken. De betaling en levering gebeuren op korte termijn.

  • Spread: Het verschil tussen de vraagprijs en de biedprijs.

  • Sprinter: Een soort van hefboominstrument.

  • Standaarddeviatie: Ook wel standaardafwijking of volatiliteit genoemd. De grootte van de afwijking in de marktprijs.

  • Stierenmarkt: Periode van stijgende beurskoersen.

  • Stockdividend: De uitkering van een dividend in de vorm van aandelen.

  • Stock-option: Een aan personeelsleden toegekend recht om in een onderneming aandelen te mogen kopen.

  • Swaps: Het kopen van het ene en het andere verkopen. Denk aan termijn contracten en valuta opties.

  • Sweet crude: Lichtere variant van ruwe olie.

T

  • Technische analyse: Een analyse doen door middel van grafieken en koersen uit het verleden te bestuderen. Men wil een voorspelling van toekomstige koersen doen door middel van technische analyse.

  • Tendersysteem: Bij emissie moet de inschrijver opgeven hoeveel effecten en tegen welke koers hij/zij wil hebben.

  • Termijnhandel: Het kopen en verkopen van effecten en grondstoffen voor de levering op toekomstig tijdstip. Een zogenaamd termijncontract.

  • Termijnmarkt: De beurs waar u aan termijnhandel kan doen.

  • Tracker: Beleggingsproducten die een index of grondstof volgen. Het voordeel is dat er geen beheer is die betaald moeten worden. Bij een beleggingsfonds verliest u veel op beheerskosten.

  • Treasury bond: Een Amerikaanse langlopende overheidsobligatie.

  • Trendlijn: Een rechte lijn die belangrijke punten in een grafiek met elkaar verbind. De trendlijn weerspiegeld een bepaald koersverloop van de grafiek. In een technische analyse probeert men door onder andere de trendlijn het toekomstige koersverloop te voorspellen.

  • Turbo: Een hefboominstrument. Als de koers stijgt , wint u meer door de hefboom. Als de koers daalt, verliest u meer door de hefboom. U kan long gaan als u een stijging verwacht en short als u een daling in koers verwacht.

U

  •  Uitloten obligaties: Bij sommige langlopende obligaties wordt er jaarlijks een uitloting gepubliceerd die door een notaris gebeurd. Het bepaalde percentage door uitloting moet dan betaald worden door de uitgever van de obligatie.

V

  • Value beleggen: Een value belegger koopt enkel goede competitieve bedrijven met een goed bedrijfsmodel, management, … Door fundamentele analyse probeert de value belegger de intrinsieke waarde van het bedrijf te bepalen. Het belangrijkste is dat een value belegger enkel tot aankoop overgaat als een aandeel onder intrinsieke waarde noteert. De gedachte hierachter is dat als een aandeel onderwaardeert op lange termijn de echte waarde naar boven zal komen. Doordat andere beleggers ook zullen ontdekken dat een bedrijf te goedkoop noteert op de beurs.

  • Variabele hypotheek: Een hypotheek waarvan de rente veranderd volgens de waarde van het onderpand.

  • Variabele kosten: Kosten die veranderen door afname of toename in omzet en winst.

  • Vaste kosten: Kosten die regelmatig terugkeren en niet boekhoudkundig kunnen worden afgeschreven over meerderen jaren.

  • Venture capital: Kapitaal geleend aan jonge bedrijven waardoor het als risicokapitaal beschouwd kan worden.

  • Verzamelcoupure: Coupures met een lage nominale waarde van een obligatie die gebundeld zijn tot 1 grote coupure.

  • Volstorten: Voldoen aan het nog niet betaalde deel van de nominale waarde van een effect.

  • Voorschotrente: De rente waarmee banken geld lenen bij de centrale bank als ze een onderpand geven.

  • Vreemd vermogen: Tegenovergestelde van het eigen vermogen. Het vreemd vermogen = met geleend geld.

W

  • Wall street: De naam van een straat Wall Street, Lower Manhattan, New York City, New York, United States. Wall street is een straat met veel belangrijke financiële instellingen en hoofdkantoren. Waaronder: NYSE, NASDAQ, …

  • Warrant: Recht om tegen een vooraf vastgestelde koers een bepaald aantal aandelen te kopen van de onderneming. Dit is een recht en niet een verplichting.

  • Wet effectenhandel: Wet die beleggers beschermt tegen misleidende reclame.

  • Wisselagent: Bankmedewerker

  • Wisselkoers: De koers waaraan een bepaalde valuta naar een andere valuta omgewisseld kan worden.

X

 

Y

  • Yield: Engels woord voor rendement.

 

Z

  • Zerobond: Een zero coupon is een soort van obligatie die geen rente uitkeert maar verhoogt in waarde.

 

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.